U bevindt zich op: HomeOnderwerpenWat zijn de Staatsexamens NT2?Inhoud van het examen

Inhoud van het examen

Hier kunt u lezen hoe de examens Lezen, Luisteren, Schrijven en Spreken eruitzien.

Lezen

Luisteren

Schrijven

Spreken


Hoe ziet het examen Lezen eruit?

Het examen Lezen bestaat uit één deel. U krijgt een boekje met daarin acht teksten. Bij deze teksten moet u maximaal 44 vragen beantwoorden. Per tekst zijn er vier tot acht vragen. Het zijn altijd meerkeuzevragen.


In het examen Lezen zitten teksten die u kunt tegenkomen op het werk, tijdens een opleiding of in het dagelijkse openbare leven. Dit zijn de volgende soorten teksten:

  • Berichten van een opleiding of van werkgevers, informatiefolders en teksten uit leerboeken.
  • Advertenties en ingezonden brieven.
  • Artikelen uit tijdschriften over werk en opleiding met meningen van verschillende personen.
  • Handleidingen over hoe apparaten werken en routebeschrijvingen. Instructies, bijvoorbeeld over wat je moet doen als er brand is of een ongeluk op het werk.

Wat toetst het examen Lezen?

Het examen toetst of u het volgende kunt:

  • 1. 
    Globaal lezen. Kunt u bepalen wat voor soort tekst het is, wat de bedoeling van de schrijver is en waar dat uit blijkt? Bij vragen waarbij u globaal moet lezen, hoeft u alleen te zeggen wat het onderwerp van de tekst is, waar de tekst vandaan komt, of voor wie de tekst bedoeld is.
  • 2. 
    Heel precies en goed (intensief) lezen. Begrijpt u de betekenis van delen van de tekst? Kunt u bepalen wat de belangrijkste informatie in de tekst is, in het algemeen en ook specifieker? U moet bijvoorbeeld vragen beantwoorden over wat een stuk tekst precies betekent. U moet iets kunnen zeggen over wat twee stukken tekst met elkaar te maken hebben. Of u moet een conclusie kunnen trekken.
  • 3. 
    Specifieke informatie in een tekst kunnen opzoeken, informatie ordenen en laten zien. Kunt u informatie in een tekst opzoeken? Kunt u ook iets doen met die informatie, bijvoorbeeld iets beschrijven, informatie ordenen of twee dingen met elkaar combineren?

U moet ook weten bij welk soort tekst u op welke manier moet lezen. Een studietekst moet u heel precies lezen, omdat u bijvoorbeeld wilt weten waarom iets op een bepaalde manier gebeurt. Of omdat u de informatie moet leren voor een examen. In een folder over studiefinanciering of in een bijsluiter bij een medicijn zoekt u naar specifieke informatie. U wilt bijvoorbeeld weten hoe u een studiebeurs moet aanvragen, of wie het medicijn wel of niet mogen gebruiken.


In het examen Lezen zitten alle drie de manieren van lezen. Bij de meeste opgaven (ongeveer 80%) moet u precies en intensief lezen. Soms moet u alleen iets opzoeken.


Verschillen tussen Programma I en II

Er zijn een paar verschillen tussen de teksten van Programma I en II. In Programma I zijn zo veel mogelijk makkelijke woorden gebruikt. In Programma II wordt daar niet op gelet. De onderwerpen in Programma II kunnen iets moeilijker zijn dan in Programma I. En verder zijn in Programma II beschouwende teksten (artikelen uit tijdschriften over werk en opleiding met meningen van verschillende personen) belangrijker dan in Programma I.


Hoe ziet het examen Luisteren eruit?

Het examen Luisteren bestaat uit drie delen: A, B en C, met daarin vijf teksten. De teksten worden gesproken door een of meer sprekers. Zij vertellen over een onderwerp of praten met elkaar over een onderwerp. Het examen bestaat uit 40 vragen. Per tekst zijn er minimaal vijf en maximaal 10 vragen.

In het examen Luisteren hoort u sprekers die praten of vertellen over situaties die u kunt tegenkomen op het werk, tijdens een opleiding of in het dagelijkse openbare leven. Wat u hoort lijkt op normaal taalgebruik: u hoort verschillende stemmen, versprekingen, herhalingen enz. Een spreker kan een accent hebben, maar het is nooit een dialect. Soms hoort u geluiden op de achtergrond. Dit komt omdat er echte opnames zijn gebruikt.


Wat toetst het examen Luisteren?

Het examen toetst of u twee dingen kunt:

  • 1. 
    Globaal luisteren. Kunt u de belangrijkste dingen uit een tekst begrijpen?
  • 2. 
    Selectief luisteren. Kunt u de juiste informatie uit een tekst halen?

Verschillen tussen Programma I en II

Er zijn een paar verschillen tussen de teksten van Programma I en II. In Programma I zijn zo veel mogelijk makkelijke woorden gebruikt. In Programma II wordt daar niet op gelet. De situaties van werk en opleiding zijn verschillend voor Programma I en voor Programma II. De onderwerpen in Programma II kunnen iets moeilijker zijn dan in Programma I. En verder zijn in Programma II beschouwende teksten (verhalen over werk en opleiding met meningen van verschillende personen) belangrijker dan in Programma I.

Hoe ziet het examen Schrijven eruit?

Het examen Schrijven bestaat uit verschillende schrijfopdrachten:

  • 1. 
    Zinnen schrijven
  • 2. 
    Een brief, tekst of formulier aanvullen
  • 3. 
    Een korte of middellange tekst schrijven

Bij de zinsopdrachten krijgt u korte teksten die niet compleet zijn. U moet zinnen aanvullen of zinnen erbij schrijven. U krijgt altijd een aanvulopdracht. Dan moet u korte briefjes aanvullen of gegevens aanvullen in een formulier.

Bij de korte schrijfopdrachten moet u zelf een hele tekst schrijven. U moet bijvoorbeeld een notitie of een korte brief schrijven. Of u moet een beschrijving geven van een situatie, een handeling of een proces.

In Programma II krijgt u ook zinsopdrachten en korte schrijfopdrachten, net als in Programma I. Maar u moet ook een middellange tekst schrijven. U moet bijvoorbeeld een probleem beschrijven en een voorstel doen voor een oplossing. U krijgt daar soms een tabel, grafiek of plaatjes bij die u kunt gebruiken. Het aantal opdrachten is verschillend voor Programma I en Programma II.

Zowel Staatsexamen NT2 Programma I als Programma II worden geheel digitaal afgenomen.

Programma I

Deel A

minuten

Deel B

minuten

10 zinnen schrijven

3 keer aanvullen brief, tekst of formulier

60

3 korte teksten schrijven

60

Programma II

Deel A

minuten

Deel B

minuten

4 zinnen schrijven

1 korte tekst schrijven

1 middellange tekst schrijven

60

4 zinnen schrijven

1 korte tekst schrijven

1 middellange tekst schrijven

60

Wat toetst het examen Schrijven?

Het examen toetst of u een goede korte (en middellange) tekst kunt schrijven. U moet de taal goed kunnen gebruiken bij het schrijven. U moet bijvoorbeeld laten zien dat u het volgende kunt: informatie geven en vragen, gevoelens, belangstelling en voorkeur aangeven en ernaar vragen, meningen geven en vragen, bedanken, feliciteren, zich verontschuldigen en uitnodigen, een instructie geven, verslag doen, beoordelen, argumenteren en bepleiten, een plan uitwerken, een toelichting geven, een rapport opstellen, advies geven en formulieren en vragenlijsten invullen.


Beoordeling

Wat u schrijft wordt beoordeeld op verschillende aspecten, zoals inhoud, opbouw, grammatica, woordenschat en spelling. U moet de belangrijke zaken goed duidelijk kunnen maken en standaardzinnen goed kunnen gebruiken.


Verschillen tussen Programma I en II

Er zijn een paar verschillen tussen de teksten van Programma I en II. In Programma I zijn zo veel mogelijk makkelijke woorden gebruikt. In Programma II wordt daar niet op gelet. De onderwerpen in Programma II kunnen iets moeilijker zijn dan in Programma I. En verder zijn bij Programma II beschouwende teksten belangrijker dan in Programma I. En ook het soort taken is verschillend: in Programma I krijgt u deelschrijftaken en korte taken. In Programma II zijn dat deelschrijftaken, korte schrijftaken en middellange schrijftaken.


Hoe ziet het examen Spreken eruit?

Het examen Spreken bestaat uit twee (Programma I) of drie (Programma II) delen met spreekopdrachten. Bij Programma I krijgt u korte en middellange spreekopdrachten. Bij Programma II krijgt u ook nog lange spreekopdrachten.

Bij de korte opdrachten moet u een paar woorden of een of twee zinnen zeggen. Bij de middellange opdrachten moet u een langere reactie geven. Dan krijgt u ook even tijd om na te denken over wat u wilt gaan zeggen.

Bij de lange spreekopdrachten (Programma II) moet u twee keer twee minuten over een onderwerp praten. U krijgt hiervoor per opdracht twee minuten voorbereidingstijd.


Programma I

Deel 1

Deel 2

12 korte spreekopdrachten

9 middellange spreekopdrachten

Spreektijd: 20 seconden

Spreektijd: 30 seconden

Programma II

Deel 1

Deel 2

Deel 3

6 korte spreekopdrachten

9 middellange spreekopdrachten

2 lange spreekopdrachten

Spreektijd: 20 seconden

Spreektijd: 30 seconden

Spreektijd: 2 minuten


Wat toetst het examen Spreken?

Het examen toetst of u goed kunt reageren of goed kunt vertellen in verschillende situaties. U moet laten zien dat u de taal goed kunt gebruiken. U moet bijvoorbeeld laten zien dat u het volgende kunt: informatie geven en vragen, instructie geven, iets weigeren, klagen, verontschuldigen, een mening geven, argumenten noemen, een beschrijving geven of een advies geven.


Beoordeling

Wat u zegt wordt beoordeeld op verschillende aspecten, zoals inhoud, opbouw, grammatica, woordkeus, uitspraak en tempo. U moet de belangrijke zaken goed duidelijk kunnen maken en standaardzinnen goed kunnen gebruiken.


Verschil tussen Programma I en II

Er zijn een paar verschillen tussen de teksten van Programma I en II. In Programma I zijn zo veel mogelijk makkelijke woorden gebruikt. In Programma II wordt daar niet op gelet. De onderwerpen in Programma II kunnen iets moeilijker zijn dan in Programma I. En verder zijn bij Programma II beschouwende teksten (verhalen over werk en opleiding met meningen van verschillende personen) belangrijker dan in Programma I. En verder is het soort taken verschillend: in Programma I krijgt u korte en middellange opdrachten. In Programma II zijn dat korte, middellange en lange opdrachten.